Plagen

Bestrijders

Engerlingen

Nematoden

Engerlingen zijn de larven van een kever die tot de familie bladsprietkevers behoort. De meest voorkomende soorten in Nederland zijn: De engerling van de Meikever (Melolontha melolontha). De engerlingen leven in de grond en knagen aan de wortels van kruidachtige planten, zoals gras, maar ook aan die van bomen. Schade: de engerlingen voeden zich met de wortels van het gras. De engerling van de Junikever (Amphimallon solstitialis). De engerling van de Junikever is een kleinere engerling dan de Meikever. Engerlingen van de junikever vreten alleen aan grassen. De engerling van de Sallandkever Hoplia philanthus De engerlingen zijn ongevoelig voor vorst. Het is één van de weinige soorten die ook in de winter actief blijven met alle schade van dien. Schade: de engerlingen zitten meestal in het gras, maar in bepaalde gevallen zitten zij ook ook onder heesters.

 

 

De engerlingen zijn goed te bestrijden met insecten-parasitaire nematoden (aaltjes)Heterorhabditis spp. Op het moment dat de nematoden in de grond zijn uitgezet gaan ze zelfstandig op zoek naar engerlingen. De nematoden dringen de engerlingen in en scheiden een bacterie af die de engerlingen doodt. De nematoden planten zich voort in de engerlingen en uit de dode engerlingen komen nieuwe nematoden die op zoek gaan naar nieuwe engerlingen.

De nematoden worden geleverd in een kleisubstantie die in water opgelost uitgegoten moeten worden over de aangetaste plekken.

 

 

Emelten

Nematoden

Emelten zijn de larven van de langpoot mug. Het zijn pootloze, grijsbruine kokervormige larven die tot 45 mm kunnen groeien. Ze hebben geen duidelijke kop. Emelten kunnen een enorme plaag voor het gazon vormen.Emelten vreten niet aan de wortels van het gras maar het jonge groen. In feite zou men kunnen stellen dat emelten "als koeien grazen". Vanuit hun holletjes trekken ze de grassprieten naar beneden. Emelten zijn vooral s'nachts actief.

De vraat van de emelten is vooral merkbaar laat in de winter tot laat in het voorjaar. Op de plaats waar de emelten het jonge groen hebben afgebeten ontstaan geelbruine plekken. Emelten kunnen ook voor problemen zorgen in moestuinen en bloemperken waar zij zaailingen en jonge plantjes doden. In moestuinen vreten emelten ook aan aardappelen.Er komen veel soorten emelten voor. In de tuinen zijn vooral de Tipula- en de Nephrotoma, waarvan de Tipula soorten voor de meeste schade zorgen.

 

Tipula paludosa heeft een hoge winterhardheid en kan voor schade aan gazons brengen al in december. De schade gaat door tot mei. Als het gras weer gaat groeien dan wordt de schade minder. Tipula oleracea heeft 2 generaties in een jaar. De larven die in september uitkomen overwinteren. Een langpootmugvrouwtje legt tussen 300 - 400 eieren per keer.  

 

 

De emelten zijn goed te bestrijden met insecten-parasitaire nematoden (aaltjes) Steinernema feltiae. Op het moment dat zij in de grond zijn uitgezet gaan ze zelfstandig op zoek naar emelten. De nematoden dringen de emelten in en scheiden een bacterie af die de emelten doodt. De nematoden planten zich voort in de emelten en uit de dode emelten komen nieuwe nematoden die op zoek gaan naar nieuwe emelten. Voor een optimaal resultaat moet de grond een temperatuur hebben vanaf 13 graden C.

De nematoden worden geleverd in een kleisubstantie die in water opgelost uitgegoten moeten worden over de aangetaste plekken.

 

 

Naaktslak

Nematoden

Naaktslakken leven in een vochtige omgeving. 90% van de populatie bevindt zich steeds in de bodem. Door het vreten aan wortels, bladeren, stengels en bloemen kunnen zij grote schade toebrengen. Naaktslakken kunnen in 24 uur tijd 50% van hun lichaamsgewicht verorberen. Bij warm en vochtig weer kunnen zij zich razendsnel vermenigvuldigen en kunnen zo een ware plaag worden.

De nematoden tegen de naaktslakken (Phasmarhabditis hermaphrodita) zijn met het oog niet waarneembaar. Ze zoeken in de grond de naaktslakken op en dringen deze binnen via natuurlijke openingen. De geïnfecteerde slakken zwellen op en stoppen binnen één week met eten. De behandeling lukt het beste bij een bodemtemperatuur tussen 5-20 C.

De nematoden worden geleverd in een kleisubstantie die in water opgelost uitgegoten moeten worden over de aangetaste plekken.

 

 

Varenrouwmug

Nematoden

De varenrouwmug is een 5 mm groot, zwart vliegje. Komt meestal in grote aantallen voor en legt haar eitjes in potgrond. De 5 mm grote, witdoorschijnende larven overleven in potgrond en tasten het wortelstelsel van de plant aan. Daarbij worden ook vaak ziektekiemen overgedragen. Door de vraatschade aan de wortels gaat de plant bladeren laten hangen en kan de plant zelfs volledig verwelken.

 

De nematoden Steinernema feltiae tegen de varenrouwmug zijn met het oog niet-waarneembare aaltjes, die in de potgrond de larven van de varenrouwmug opzoeken en binnendringen, waarbij een bacterie afgescheiden wordt die de larve van de varenrouwmug doodt. Tevens leggen de aaltjes hun eitjes in de larve van de varenrouwmug. Vanaf een minimale potgrond temperatuur van 13°C zijn de aaltjes optimaal actief.

De nematoden worden geleverd in een kleisubstantie die in water opgelost uitgegoten moeten worden over de aangetaste plekken.

 

 

Taxuskever

Nematoden

De taxuskever (Ortiohyncus sulcatus) is een 10mm grote, zwartgrijze kever met gele vlekjes die zich 's nachts tegoed doet aan bladeren. Het schadebeeld, veroorzaakt door dit insect, is herkenbaar aan het van buiten naar binnen afvreten van de bladeren. De 1cm dikke, witte larven met bruine kop komen voor in potgrond en in tuinen waar ze het wortelstelsel van diverse planten aantasten. Als gevolg kan de plant geen voedingsstoffen meer opnemen en laat de plant de bladeren hangen en in vele gevallen gaan de planten dood.

Naast de schade veroorzaakt door de taxuskevers (ook wel genoemd: gegroefd lapsnuitkever) kan ook schade ontstaan door larven van andere snuittorren, zoals Phyllobius soorten (groene bladsnuitkevers).

 

schade taxuskevers aan rhododendrons

De nematoden Steinernema kraussei zoeken in de (pot)grond de larven van de taxuskever op, dringen er binnen en scheiden een bacterie af die de larven doden. Tevens leggen de aaltjes eitjes in de taxuskevers larven. Vanaf een min. grondtemperatuur van 5°C zijn de aaltjes optimaal actief. Het voordeel hiervan is dat de larven van de taxuskevers of aanverwante soorten al vanaf maart tot en met november kunnen worden bestreden.

De nematoden worden geleverd in een kleisubstantie die in water opgelost uitgegoten moeten worden over de aangetaste plekken.

 

 

De bladluis is een ongeveer 3mm dikke, ovale, gekleurde (groen en zwarte) luis met een zeer korte voortplantingscyclus. De luizen voeden zich met plantensappen en scheiden een kleverige stof af (honingdauw). Dit maakt de bladeren van de plant kleverig en kan schimmelvorming veroorzaken. Door overdracht van ziekten worden de planten ziek en verwelken.

De 3mm grote galmug gaat zelf op zoek naar luizenkolonies en legt zijn eieren tussen de luizen. Elke muggelarve zuigt een honderdtal luizen leeg. De galmug wordt geleverd in coconvorm in 2 flesjes á 250 stuks per flesje en is goed voor een bestrijding van een oppervlakte van 50 m2. De inhoud uitstrooien op het blad van de plant.

 

Gaasvlieg

Inheems lieveheersbeestje

Een volwassen gaasvlieg is groenkleurig en heeft zeer grote, transparante vleugels. Het zijn de larven van de gaasvlieg die zich vooral voeden met bladluizen, maar ook met spint en witte vlieg. De larven kunnen 20 tot 50 bladluizen per dag verorberen. De gaasvlieglarven worden per 500 in een kartonnen plaatje verpakt. De verpakking is goed voor ongeveer 50 m2. Door verwijdering van het fijne gaas kunnen ze op de planten uitgestrooid worden.

 

Een nieuwkomer bij de bladluisbestrijders: Adalia bipunctata. Adalia bipunctata is een inheems lieveheersbeestje. De larven worden in de sierteelt, fruitteelt en groenteteelt gebruikt als natuurlijke vijanden in de strijd tegen bladluizen. Adalia is erg vraatzuchtig en kan daarom gebruikt worden tegen verscheidene bladluissoorten in allerlei teelten. Adalia kan gebruikt worden in combinatie met andere natuurlijke vijanden en is ongevaarlijk voor de mens en de natuur.Adalia bipuntacta bestrijdt ook rododendroncicaden als die nog jong zijn en dopluizen.

 

 

 

 

 

Wittevlieg

Sluipwesp

De wittevlieg lijkt op een 1,5mm groot, witgepoederd motje, dat haar eitjes afzet aan de onderkant van jonge bladeren. De wittevlieg komt in grote aantallen voor en vermeerdert zich snel. Ze voeden zich met plantensappen en scheiden een kleverige stof af. Hierdoor worden de bladeren plakkerig en kan er zich een zwarte schimmelpluis vormen. Als er niet tijdig wordt ingegrepen, is de kans groot dat de plant de beschadiging niet overleeft.

De sluipwesp is de meest effectieve bestrijder van de wittevlieg. Deze 0,3mm grote sluipwesp eet de larvale stadia van de wittevlieg en Iegt bovendien zijn eieren in de pop van de wittevlieg. Uit de wittevliegpop komt dan geen wittevlieg maar een nieuwe sluipwesp! De sluipwespen worden geleverd op vijf kaartjes van honderd eieren per kaart. De kaartjes moeten aan de plant opgehangen worden en als de sluipwesp uitkomt, gaat hij op zoek naar de larven van de wittevlieg. Eén verpakking is goed voor 50m2.

 

 

Trips

Roofwants

Tripsen zijn gevleugelde insecten en zijn nog geen millimeter groot. De larven zijn beweeglijk en beginnen dadelijk na het uitkomen met het eten van bladweefsel aan de onderkant van het blad. Door het leegzuigen van plantecellen ontstaan zilvergrijze vlekken op de bladeren, waarop zwarte puntjes (de uitwerpselen) te zien zijn. Bij hogere dichtheden treedt ook schade op aan bloem of vruchten. Tripspopulaties kunnen zich op korte tijd zeer snel ontwikkelen.

De roofwants Orius is een afgeplat insect van ca. 3 mm groot met een typisch lange steeksnuit. Deze beweeglijke veelvraat voedt zich met alle stadia van de trips. Wanneer geen trips voorkomt, voedt ze zich ook met pollen en andere insecten, zoals wittevlieg, luis en spint. Bij hoge dichtheden van de prooi doden ze meer dan ze werkelijk als voedsel nodig hebben. Deze roofwantsen worden geleverd in verpakkingen, goed voor een bestrijding van 50 m2.

 

 

Kasspint

Roofmijt

De kasspint is een 0,5 mm grote, geel-bruine mijt met twee donkergroene vlekken op de flanken, die leeft van plantensappen. Spintschade is te herkennen aan de wit-gele plekjes op het blad van de plant en aan een zijdeachtig spinsel aan de onderkant van het blad.

De roofmijt is een 0,6 mm rode mijt die zich snel beweegt en die onmiddellijk op zoek gaat naar kasspint. De roofmijt leeft hoofdzakelijk van (kas)spint en spinteieren, die hij leegzuigt en opeet. De roofmijten worden verpakt in een flesje van min. 500 exemplaren, goed voor een te behandelen oppervlakte van 50 tot 60 m2. De inhoud van het flesje uitstrooien op de bladeren van de plant (en niet op de bloem).

 

 

Wortelluis, Miljoenpoten, Bollemijten etc.

Hypoaspis

 

Wortelluizen zijn te herkennen aan de kleur. Deze is licht-beige tot oranje/licht rood, afhankelijk van de klimaatomstandigheden. Ze zijn ongeveer 0,5 mm groot. Met een loupe zijn de voelsprieten zichtbaar. De schade bestaat uit pleksgewijze groeiremming door aantasting van de wortels. Hierdoor vergroot tevens de kans op een infectie van andere ziektes en wordt de opname van voedingsstoffen belemmerd.

 

 

Hypoaspis miles roofmijt is een natuurlijke vijand van allerlei bodeminsecten. Het is een bruin gekleurde bodemroofmijt ong. 1 mm groot en voedt zich met allerlei schadelijke bodeminsecten zoals wortelluis, springstaarten, miljoenpoten, varenrouwmuglarven en poppen van trips. De roofmijt is actief bij temperaturen boven 10 graden. Soms doden zij meer insecten dan zij als voedsel nodig hebben. Bodemroofmijten zijn onschadelijk voor mens, dier en gewassen en kunnen bovendien geen plaag vormen.

 

 

Wolluis

Roofkevertje

Wolluis behoort tot de moeilijkst te bestrijden plagen in de kas en tegenwoordig ook veel in tuinen. Hun lichaam is bedekt met witte wasachtige draden, wat een chemische bestrijding vaak weinig succesvol maakt.

 

Het kevertje Cryptolaemus montrouzieri is specialist in het opruimen van wolluispopulaties.Cryptolaemus montrouzieri is een lieveheersbeestje, van oorsprong uit Australië. Volwassen kevers kunnen tot 4 mm lang worden en dragen zwartbruine dekschilden. De kop, het voorste deel van het borststuk, de tippen van de dekschilden en het achterlijf zijn oranjebruin. De larve van Cryptolaemus kan tot 13 mm lang worden en is te herkennen aan de witdonzige wasafscheiding. Hierdoor lijkt de larve als twee druppels water op zijn prooi, de wolluis.

 

Ongedierte bestrijding